Parochies > Kerkelijk patrimonium > >


 

 

Boezinge - Sint-Michiel  : Sint-Michielskerk (Boezinge)


1. Beschrijving van het huidige kerkgebouw.

Wanneer wij het huidige kerkgebouw bekijken …

Het gebouw zelf staat aan de zuidkant van het Katspel, de markt van Boezinge. Rond de kerk bevindt zich een ommuurd kerkhof met o.a. het graf van E.H. Pastoor Vanneste, de legendarische dorpspriester, en een Britse militaire begraafplaats.

De kerk zelf is een laat-gotische hallenkerk. De plattegrond ontvouwt een voorgeplaatste vierkante westertoren, een schip uit drie beuken en vier traveeën. We vinden er eveneens een hoofd- en twee zijkoren van respectievelijk een brede en een smalle travee; daarnaast nog een brede travee en een driezijdige sluiting. De sacristie is gebouwd aan de zuidkant.

Het gebouw werd gemetst uit gele baksteen. De sokkel bestaat echter uit hergebruikte ijzerzandsteen. Deze is afkomstig van de vroegere toren, het schip en de sacristie. De torenspits is gebouwd met natuursteen. Het zadeldak bestaat uit leisteen.

De prachtige westelijk gerichte toren bestaat uit vier geledingen die aangeduid zijn door kordons. Deze zijn gestut door op elkaar gestelde hoeksteunberen met versnijdingen, uitlopend op pinakels. Op de zuidwesterhoek zijn deze echter vervangen door een zeszijdig traptorentje.

De architectuur van het gebouw leunt aan bij de regionale baksteengotiek door bijvoorbeeld de architectonische baksteenversieringen. Op de steunberen en ter hoogte van de tweede en de derde geleding komen spits- en rondbogige en oculusvormige casementen voor.

Onder de westertoren bevindt zich het korfboogportaal in dito omlijsting met een driepas en een nisje met een beeldje van St.-Michiel, de patroonheilige van deze parochie, in het boogveld aangebracht.

Wanneer we wat hoger kijken zien we ook nog een korfbogig drielicht en gekoppelde spitsbogige galmgaten.

De borstwering is geajoureerd.Erboven is er een natuurstenen spitsboogfries met traceerwerk. De hoektorentjes met hogelversiering bestaan uit natuursteen. Zoals eerder aangebracht is de naaldspits uit natuursteen. Typerend zijn de boven elkaar geplaatste spitsboogcasementen en de hogels.

De gevels zijn geritmeerd door de steunberen. Tussen de steunberen vindt men spitsboogvensters (drie- en vierlichten) in een geprofileerde omlijsting.

De aan de zuidkant gelegen sacristie bestaat uit vier traveeën onder een zadeldak in dezelfde bouwtrant.

Het interieur van deze kerk bestaat uit witbepleisterde muren, overwelfd door houten spitstongewelven en spitsbogige scheibogen op natuurstenen zuilen met een achtzijdige sokkel en een koolbladkapiteel.

Op de pseudo-kruising bevinden zich gebundelde zuilen. Tegen de noordelijke en zuidelijke muren zijn halfzuilen aangebracht.

Het meubilair is samengesteld uit een hoofdaltaar, lezenaars en biechtstoelen met Art Deco-inslag. Over de vier Oudenaardse wandtapijten uit de 17de eeuw wordt verder uitleg gegeven.

Tot hier wat de technische aspecten van het huidige kerkgebouw betreft.

2. Geschiedenis van het kerkgebouw in 11 deelstappen.

Ontstaan

Terug naar af

Om terug te keren naar de oorsprong van de kerk van Boezinge kunnen wij niet anders dan eens de vroegste geschiedenis van dit dorp door te nemen.

Alleen al het feit dat Boezinge slechts op vijf kilometer van Ieper ligt, zegt al heel wat. Vooral echter het landschap heeft de geschiedenis van dit op vandaag zo vredige dorp bepaald. In de periode van de eerste graven van Vlaanderen is Boezinge al ontstaan.

Zij moesten nu en dan eens naar Parijs, de stad van hun koning en leenheer. Ze vertrokken dan vanuit Brugge over de waterscheiding tussen Leie en Ijzer. Dit was meteen de belangrijkste weg in dit eenzame gebied, waarlangs ook de kooplieden naar de jaarmarkten in de Champagne trokken. Vandaag is dit de Brugseweg. Op een gegeven ogenblik kwam men aan een brug over een bevaarbaar riviertje, de Ieperlee, ontstaan uit een vereniging van van de heuvels aflopende vlietjes. Door toedoen van de kooplieden groeide hier langzaam aan een stad. De graaf bouwde er een vesting: zijn Zale. Hij woonde er zelf of stelde een baljuw aan om de handelsroutes over de weg en het water te beschermen.

Zo werd de Ieperlee een levensader van groot belang, zowel voor de stad als voor de graaf. Uit de handel , via dat riviertje bedreven, haalde de graaf nogal wat belastinggelden. De handel, die steeds intensiever werd, breidde zich naar het noorden uit. Er moest echter nogal wat niveauverschil overwonnen worden. Hiervoor bouwde men overdrachten. Dit zijn een soort waterkeringen in hout. De scheepjes worden dan met mankracht, kaapstanders of ossen over het hout naar een lager gelegen pand gesleept. Aan die overdrachten ontstonden natuurlijk nederzettingen waarvan Boezinge er een van is. In een kroniek van het Iepers St.-Maartenskapittel werd Boezinge voor het eerst vermeld in 1119: "…altare de Boesingha cum appendicia capella que Sutcotes vocatus…" Hierbij kunnen we stellen dat Boezinge en Zuidschote al een kerkelijke betekenis hadden.

De kerk van Boezinge zou in haar vroegste periode een romaans bedehuis geweest zijn.

In de Geuzentijd werd het gebouw volledig platgebrand en in 1624 heropgebouwd. In 1648 werd de kerk echter opnieuw verwoest. Men moest dan wachten tot 1682 vooraleer de kerk opniew werd opgebouwd. In de vooroorlogse kerk kon men aan de hand van een donkerrode baksteen in de westelijke tuitgevels de datering zien.

1914

De volgende en wellicht belangrijkste stap stap in de geschiedenis van de kerk van Boezinge is de eerste wereldoorlog.

Kerk voor de verwoestingen van '14-18

Vanaf november 1914 werd de kerk bijna dagelijks beschoten. Zij kon immers een uitstekende uitkijkpost zijn voor de geallieerden. Zo vielen ook de klokken, de horloge, het torenkruis en de windhaan.

November 1914: De kerk heeft haar eerste voltreffers geïnkasseerd

1916 Verdere aftakeling van de kerk.Nog één gevel staat overeind.

Het is echter merkwaardig dat deze waardevolle zaken niet door de plaatselijke bevolking in veiligheid werden gebracht. Een Franse militaire dokter, een souvenirjager, nam de torenhaan en de horloge. Deze werden naar Bretagne verstuurd. In 1929 stierf hij en zijn echtgenote bezorgde alles terug aan de eigenaars. Een pater Capucijn uit Dinard bemiddelde de zaken. Hij was trouwens al meer dan eens naar Boezinge op pelgrimstocht geweest. Pater Gabriël-Marie was zelfs nog in Boezinge soldaat geweest bij het 76e R.T. Na de gasaanvallen van 21 april 1915 trok bijna de gehele Boezingse bevolking weg, sommigen "Bachten de Kupe", anderen naar Frankrijk. In het geweld van bombardementen, beschietingen en altijd maar aanvallen werd de kerk tot een ruïne gereduceerd.

1918

Na die vier gruwelijke jaren kwam de bevolking van Boezinge met mondjesmaat terug. Tussen ronddolende Engelsen, die handeltjes in oud materiaal opzetten, en Duitse krijgsgevangenen die de opruiming moesten houden, was er slechts de veldwachter Govaerts. Kort na de ondertekening van de vrede was hij al naar Boezinge teruggekeerd. Wat later volgden zijn vrouw Prudence Caura en hun dochter Paula. In 1919 hield Alfons Ameel-Oreel een winkeltje open in de Dorpstraat.

Dit was eenmaal het dorp Boezinge

Uit een briefwisseling van Franse weduwen en moeders kunnen we afleiden dat in 1919 enkele mensen pionier speelden. Dit waren Emiel Tytgat, Eugeen Coulier en de veldwachter. Zij nivelleerden, beantwoordden brieven van radeloze moeders of echtgenoten, spoorden graven op, en ontvingen bezoekers. Dankzij de inzet van deze mensen heeft de naam Boezinge een goede klank in Frankrijk.

Barak aan de Langemarkseweg

Deze pioniers woonden in hutten, gebouwd uit platen en planken. Soms sliepen ze gewoon in een bunker. Zij hadden altijd een geweer bij zich! Zo kwam meester Coulier ooit eens op bezoek bij Urbain Tytgat, toen deze nog alleen was. Het stormde en sneeuwde. Toen er op zijn deur werd geklopt, kreeg Tytgat natuurlijk de schrik van zijn leven. Hij was er immers van overtuigd dat hij de enige bewoner was in Boezinge. Het konden gerust Tchings zijn die voor zijn deur stonden. Hij nam dus zijn geweer en trok de grendel over. Meester Coulier riep dan onmiddellijk: "Niet schieten! Ik ken goed je vader!". Toen mocht Eugeen binnenkomen. Hij kwam vragen om een stuk brood…

Een priester held

Op het civiele plan was begin 1919 nog altijd niet beslist of Boezinge opnieuw een bewoonbare gemeente zou worden of niet. Er viel immers niets te besturen. Er waren enkel een paar individuen, maar geen gemeenschap. Halfweg 1919 waren ze met een zestigtal! En ze leefden nog lang niet allemaal in geregeld gezinsverband.

E.H. J. Vanneste in het uniform van belgische legeraalmoezenier

Op kerkelijk gebied gaat men echter van een ander standpunt uit. Zodra één ziel aanwezig is, moet men die geestelijk bijstaan.

Halfweg augustus 1919 klopte de 35-jarige E.H. Jules Vanneste, geboren in Roeselare op 23 augustus 1884, aan bij Kan. Mahieu, secretaris van het bisdom Brugge. Jules Vanneste, vrijwillig aalmoezenier, lag op 11 november 1918 te Astene bij Nazaret aan de Leie.

Pastoriebarak dienstdoende als slaap-, eet-, bid- en vergaderzaal.

's Anderendaags zou het 11de Linieregiment er een nieuwe aanval inzetten. Als hulpdokter bij dit regiment fungeerde er de heer Hector Dekemele van Boezinge. Zij waren goede vrienden geworden. Dokter Dekemele vroeg aan E.H. Vanneste om na de demobilisatie in Boezinge te komen wonen. Buiten zijn weten om werd Jules Vanneste echter bij het leger benoemd. Na omzwermingen via Limburg en na het zelf aanvragen van zijn ontslag, kon hij uiteindelijk in 1919 naar Boezinge komen.

Omdat in 1911 E.H. Berlamont tot priester van Boezinge benoemd was en zijn functie liever niet opnieuw opnam, tekende E.H. Vanneste steeds met d.d. pastoor, wat hijzelf schamper omschreef als dubbele duts. Dit was zo tot 1933. Dan werd hijzelf definitief benoemd. Een glasraam in de pastorie, geschonken door de oudstrijders V.O.S.-sen, herinnert hieraan.

De nieuwe pastoor ging wonen in een houten barak, bij het station. 's Morgens diende die als kapel. De kerk moest echter weer worden opgebouwd.

Driedelige multifunctionele barak: eerste noodkapel, eerste meisjesschool, eerste klooster.

Waar de vooroorlogse meisjesschool zich bevond, werd een noodbarak opgericht. Het eerste en grootste deel ervan was de sacristie. De rest moest dienen als woning en klaslokaal. De eerste plechtigheid met verslag dateert van Aanbiddingsdag, 10 november 1919. Op woensdag 26 november 1919 werd de eerste nadienst gehouden voor een overledene. Toen waren de muren al versierd met zwarte rouwdoeken en was er koortje.

Met kerstmis 1919 werd een triduüm georganiseerd voor zo'n 150 inwoners. Priester Vanneste moest hierbij de kerkgangers waarschuwen niet tegen de zijwanden te drummen wegens instortingsgevaar. 150 kerkgangers was al een serieus getal, maar de gerechtvaardigde subsidies bleven uit.

Een voorlopige kerk op het Katspel

Een groter houten kapel werd noodzakelijkerwijs opgetrokken. Ze stond op het Katspel. Het pleintje was voor de oorlog niet zo groot als nu. Er stond zelfs een rij woningen met achtererven tegen de "kerkwegel". Daar dit cijnsgronden van het kasteel waren, werd er na de oorlog niet meer op deze plaats gebouwd. De gronden werden afgestaan aan de gemeente Boezinge die er een plein ontwierp en een gemeentehuis bouwde.

Door de verwoestingen was de juiste plaatsbepaling van het plein zeer moeilijk. Toch werd de kapel er gebouwd. Later zou blijken dat de sacristie en het koor gebouwd waren waar veldwachter Govaerts zijn huis had willen bouwen. Dit was op de hoek van het Katspel en de Schoolstraat. Zo heeft de veldwachter moeten wachten met bouwen tot de definitieve kerk in gebruik werd genomen. De nieuwe kapel was geen barak. Ze was gebouwd uit stijlen met metsel-en pleisterwerk ertussen. "Vakwerk" genoemd.

Voorlopige kerk op het Katspel.

De materialen werden geschonken door het Amerikaans Rode Kruis en kwamen van een Duitse kampbarak. Pastoor Vanneste deed meestal zelf, met behulp van enkele dorpsgenoten, het metselwerk. Zo ontving hij ooit Minister Van de Vijvere, aangetrouwde familie, in zijn werkplunje terwijl hij de kerkmuur pleisterde. Het meubilair kwam van een Duitse soldatenkerk in Antwerpen. Het klokje dat nu nog boven de kloosterkapel van de meisjesschool klingelt is het klokje van die soldatenkerk. Het was ook de eerste kerkklok van het naoorlogse Boezinge. De kazuifels en het altaarlinnen waren waarschijnlijk opgeeïste goederen. Want de offerte bepaalt dat de Belgische erfgenamen van hun rechten afstand deden en alles overlieten aan advokaat Ryckmans. Volgende zaken werden door de kerkraad van Boezinge goedgekeurd: o.a. een kruisweg in romaanse stijl, een oud koperen Romaans altaarkruis, twee grote eiken biechtstoelen, een eiken preekstoel, een orgel, een poort, een Heilig Hartbeeld, een communiebank, een altaar en een tabernakel. Verder waren er nog enkele beelden. Deze kerk werd op dinsdag 6 april 1920 plechtig ingewijd. Op sacramentsdag, 3 juni 1920, had de eerste naoorlogse Plechtige Communie plaats. Er waren 6 meisjes en 7 jongens.

Binnenzicht van de voorlopige kerk, de "mooiste van de frontstreek, ... met meubilair uit Duitse soldatenkerk

Maar vanaf november 1920 was de bevolking zodanig aangegroeid dat men verplicht was te denken aan een uitbreiding. De Standaard van 3 januari meldt: "Reeds meer dan duizend mensen hebben hun intrek genomen in barakken, holen en andere ongezonde schuilplaatsen, gedekt met platen, asfaltpapier of versleten eternit. Van de mooie kerk met historische toren liggen nog enkel enige steenhopen. Wanneer wordt dit alles eens opgeruimd, zoals overal elders sinds lang gebeurde?" Op Allerheiligen en Allerzielen 1920 was de massa zo groot dat de priester verplicht was "Suisse" te spelen. Reeds met kerstmis was de uitbreiding voltooid. In "Het nieuws van de dag" van 20 mei 1921 stond: "Van buiten lijkt het zowat op een fabriek, maar van binnen is het prachtig!"

Op naar een definitieve kerk

Op 3 maart 1920 werd reeds contact opgenomen met architekt Coomans van Ieper. Dit was nog voor de inwijding van de tweede voorlopige kerk. Men wou toch reeds de besprekingen starten voor de bouw van de definitieve kerk. De oude verwoeste kerk was nog niet eens opgeruimd. Men koos voor de opbouw van de huizen van de bewoners. Het puin van de oude kerk was slechts in de maand september van 1921 opgeruimd, drie jaar na het einde van de oorlog. Het was ook in die maand dat de plannen van architekt Coomans naar Brussel werden opgestuurd. Daar moest men beraadslagen over die plannen. Dit was nogal delicaat daar men te doen had met een kerk waarvan de toren beschermd was. Men moest er dus op toezien dat de toren weer helemaal gebouwd werd zoals die bestond voor de oorlog. Naar de mening van het volk duurde dit veel te lang. Het duurde meerdere maanden alvorens die goedkeuring in Boezinge aankwam.

Klokkenhistorie

Tijdens het ruimen van het puin vond men de ernstig beschadigde St.-Michielsklok terug. Ze kon niet meer onmiddellijk in dienst worden genomen. In afwachting van het gieten van een nieuwe klok, had men ze naast de puinhoop van de vroegere kerk geplaatst. Dit was niet zo ver van de weg die door het dorp loopt. Vreemdelingen trachtten echter op het front vanalles te pikken. Als men het maar kon verkopen. Zo kreeg Vrouw Helena Pecceu, echtgenote van Meester Eugène Coulier in haar herberg enkele volgens haar verdachte gasten over de vloer. Ze zaten bij het raam en gluurden altijd maar naar die klok. Voor de vrouw was dit allemaal nogal verdacht. Toen zij de nacht van 8 naar 9 januari opstond om haar kindje Maria, dat de kroep had, te verzorgen, hoorde ze ongewone geluiden en zag ze een lichtje op het Katspel. Ze wekte haar man om te zeggen dat ze de klok steelden. Hij stuurde zijn knecht naar de pastoor. Deze werd wakker doordat zijn hondje - een oud rattenpakkertje uit de loopgraven - begon te keffen. Ook veldwachter Govaerts werd gewaarschuwd. Deze vuurde enkele schoten af in de lucht. De klok was reeds overtrokken met een zak. Er stond ook al een paard en een kar klaar om ze op te laden. Een jongeman uit Kortemark kon echter niet meer ontsnappen. Hij werd gearresteerd. De kar, het paard, soldatenmantels en een fiets werden in beslag genomen. Wat later werd hij te Poperinge berecht. Dit moest daar gebeuren omdat men in Ieper nog geen enkele rechtbank had.

De uit het puin gehaalde St.-Michielsklok.

Zo werd de taak als Suisse meer dan nodig. Op pasen van 3 april 1921 werd deze uitgevoerd door Adolf Wielandt.

Eindelijk kon men bouwen

Op maandag 22 mei 1922 kon dan uiteindelijk toch de aanbesteding plaats hebben. Dit gebeurde onder het toezicht van de Hoge Koninklijke Commissaris Biebuyck van Ieper. De firma Van Eeghem uit Brugge kon op maandag 1 augustus 1922 de werken starten. Na het gieten van de nieuwe fonderingen op de oude konden de steenkappers in september de blokken witte natuursteen bewerken. In januari 1923 kon men, na alweer lang wachten, overgaan tot de eerste steenlegging. De steen werd gewijd door deken Delaere van Ieper op donderdag 18 januari in aanwezigheid van tal van hoge gasten zoals de heer Méchant, kabinetsoverste van Minster van de Vijvere, de heer Biebuyck, toegevoegd hoogkoninklijk commissaris, de heer Esquelin, hoofdstaatscommissaris, de heer Coomans, architect, de heer van Eeghem, aannemer en al de leden van de gemeente- en kerkraad. Die dag was het natuurlijk groot feest voor het dorp, waar vele vlaggen waren uitgehangen. Een laagje sneeuw droeg bij tot het intieme van de ceremonie.

Na de dienst kon men op de pastorie aanschuiven voor de receptie. Daar werd vele keren het glas geheven op pastoor Vanneste die door zijn vastberadenheid in het aanvragen van de steeds uitblijvende oorlogsschadevergoedingen en door zijn werkkracht verantwoordelijk is geworden voor een zeer groot aandeel van de verrijzenis van Boezinge en dit voor zowel de heropbouw van de huizen van de bewoners als voor de kerk. Boezing was trouwens, na de Sint-Maartenskathedraal, de eerste parochie waar een eerste-steenlegging plaats vond. Een aandenken hieraan kunt u nog altijd zien achter het groot altaar van de huidige kerk. Op de steen kunt u één groot kruis en vier kleine ronde kruisen zien. Ze staan rond het jaartal 1923.

Tot in maart 1923 gingen de werken goed vooruit. Dan kwam men façadesteen tekort. Men ziet ook dat de aannemer de "sleepziekte" had opgedaan. Hij had zich laten verleiden zoveel mogelijk werken op te starten. Dit was logisch aangezien de vele werken die toen nodig waren bij de heropbouw van de streek. Het plaatsen van het houtwerk van het dakgebindte was vlotter verlopen zodat de bedekking met leisteen op het einde van augustus klaar was. Slechts twee personen hadden bij de bouw van de kerk een werkongeval. Ze stortten met een gebroken stelling naar beneden. Ze moesten opgenomen worden maar ze hadden geen blijvende letsels.

Op woensdag 14 mei 1924 hees men de kruis op de torenspits. Ook de haan werd toen op de toren geplaatst. Boezingenaar Cyriel Dellaert nam die taak op zich.

Vanaf dan begon men met de verhuis van het kerkmeubilair.

Op 6 juni 1924 werd het Allerheiligste plechtig uit de noodkerk naar de nieuwe kerk overgebracht. Op Pinksteren van 8 mei 1924, vond de eerste hoogmis plaats.

De nieuwe klokken

Op kermismaandag van 28 juli 1924, werden de nieuwe klokken gewijd. Er zijn er drie. De fameuze klok van onder de puinen was ondertussen al opnieuw gegoten. Samen prijkte ze met de twee andere sinds donderdag 17 juli bij de grote kerkdeur. De grote klok heeft men niet moeten uithalen uit de noodsteigers…Ze was er uitgevallen op 20 maart 1923. Toen de klokkenluider, Jozef Noreel, met luiden wou ophouden, brak de kroon van de klok af. Het gevaarte, van rond de 1 000 kg, donderde dwars door de plankvloer naar beneden. Wonder boven wonder bleef Jozef Noreel ongedeerd.

Grootvikaris Vandenberghe van het bisdom Brugge wijdde de drie klokken die samen een akkoord uitmaakten. De grootste is opgedragen aan het H. Hart van Jezus. Men noemt haar de Zegeklok. De middelgrote klok is de Vredeklok en heeft als patrones O.-L.-Vrouw. De kleine, de Strijdklok, is toegewijd aan de aartsengel Michaël. Michaël is ook de parochieheilige. Op de achterkant van elke klok is een opschrift aangebracht: "De vroegere klokken, in de maand april 1915 door de Duitsche vijanden met geweld neergeschoten en verbrand zijnde, werd ik uit brons gegoten om ze te vervangen, door de zorgen van Jules Vanneste dienstdoende pastoor, met de kunde van G. Slegers-Causard uit Tellin, op de kosten van Kerkfabriek van Boesinghe. Toen waren Voorzitter: Camiel Vandenberghe; Schatbewaarder: Hector Dekemel; Geheimschrijver: Eugeen Coulier; Leden: Ernest de Thibault de Boesinghe, burgemeester; Emiel Tytgat en Aloïs Claeys." Uit de "Endgültige Empfangsbescheinigung", afgeleverd door de Kreiskommandatur van Roeselare op 19 april 1944, waarbij de klokken werden opgehaald en weggevoerd om "gebruikt te worden voor oorlogsdoeleinden", blijkt dat beide laatste klokken 899kg en 630 kg wogen. Ze hadden een doorsnede van 0,89 m en 1,05 m.

Het consacreren van de kerk

Op maandag 4 augustus 1924 werden de kerk en het hoofdaltaar geconsacreerd. In het dorp was een haag van denneboompjes gezet en in de Dorpstraat stond aan de ingang van de Brugstraat een triomfpoort waarop "Welkom!" stond. Op zondagavond kwam Mgr. Waffelaert aan in Boezinge. Hij werd verwelkomd door de fanfare, alle geestelijke en burgerlijke personaliteiten en door de schoolkinderen. Zij hadden Belgische en … leeuwevlaggen vast.

De plechtigheid begon op maandagmorgen om 8 uur. Het hele gebouw werd zowel vanbinnen als vanbuiten gezegend.

Het hoofdaltaar werd gezegend met de Heilige Olie. Dit marmeren stuk is vervaardigd in Brussel, naar het voorbeeld van de abdij van Maredsous. Deze abdij had in 1920 een kunstschool opgericht. Het was de bedoeling om moderne kunst in de kerken te krijgen. Een woestenij als de frontstreek was hiervoor natuurlijk een uitgelezen gebied. De Sint-Jacobskerk in Ieper is de eerste kerk waarin deze kunst ingang vond. De kerk van Boezinge was de tweede.

De plechtigheid, die met koor en orgel werd opgeluisterd, duurde maar liefst vier en een half uur! Zij werd voorgegaan door priester Vanneste, geassisteerd door twee Boezingse priesters: E.H. Hondeghem, directeur van het college te Poperinge en E.H. Peccue, kapelaan te Harelbeke. Nadien wachtte hen een feestmaaltijd in de Jongelingenkring waarop een vijftigtal personen uitgenodigd waren.

Een jaar later werd een nieuw orgel geplaatst. Dit was gebouwd door de firma Anneesens uit Menen. De afsluiting rondom de kerk was het einde van de heropbouw.

Vanaf dan hervat het kerkelijk leven in Boezinge zoals in alle andere naoorlogse dorpen in de Westhoek. Er waren de processies door de straten en de bedevaarten naar Gistel, Oostakker, Roeselare en Lichtervelde.

Ondertussen was de onvermoeibare frontpastoor Jules Vanneste nog steeds dd…

Tweede Wereldoorlog

Vooraanzicht na de bombardementen van 28 en 29 mei 1940

Torentrap, na de bombardementen van mei 1940

Zicht op toren en noorderbeuk, reeds in herstelling.

Binnenzicht bij het portaal na de bombardementen.


3. Beschrijving van de glasramen

In de kerk van Boezinge vindt men 9 mooie glasramen. De drie middeltste, boven het hoofdaltaar, hebben de hoogste kunstwaarde.

Zij zijn in 1925 door de firma Ladon uit Gent geplaatst. "De Kalvarieberg", "Het Offer van Melchisedech" en "Jezus en de volgelingen van Emmaüs" zijn er afgebeeld.

De glasramen boven het Onze-Lieve-Vrouwe-altaar zijn vervaardigd door de firma Peene-Delodder uit Brugge. Ze zijn geplaatst in 1927. Ze stellen de "Kroning van Maria" (een gift van Ernest de Thibault de Boesinghe), "De Boodschap" (gift van Dr. Dekemele) en "Adam en Eva" (gift van Aloïs Claeys).

Op het einde van 1927 plaatste dezelfde firma "De negen Koren der Engelen". Dit zijn giften van de families L. Debackere, Georges de Thibault de Boesinghe en L. Van Eeghem, kerkbouwer.


4. Beschrijving van de wandtapijten

Het was alweer dezelfde Jules Vanneste die door zijn onverzettelijkheid de kerk op 20 februari 1939 bij koninklijk besluit als kunstmonument liet klasseren door de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen.

De vier wandtapijten, die al voor de oorlog van de kerk van Boezinge waren, zijn geweven in Oudenaarde in de 17de eeuw. Zij bezitten eveneens een grote kunstwaarde. Naast Brussel, Doornik en Atrecht, was Doornik een van de centra voor tapijtweefkunst. In de tweede helft van de 16de eeuw werden heel wat kerken door de geuzen geplunderd. De wandtapijten waren dan ook een uitstekend middel om die kille gebouwen opnieuw op te fleuren. Meestal stelden ze Bijbelse taferelen voor. Werden de tapijten geweven voor kastelen, dan waren het jachttaferelen.

De tapijten van Boezinge hebben een religieus maar geen Bijbels onderwerp. Ze zijn wel eigentijds en realistisch, volledig volgens het concept van de Contra-Reformatie. Het waren vooral de Jezuïten die daarin het voortouw namen. Zij stuurden de eerste dynamische missionarissen naar de nieuwe wereld. Een van hen was de Spanjaard Franciscus Xaverius.

Hij werd naar Indië gestuurd. Zijn medebroeders stichtten in onze contreien heel wat college's. Zo werd de naam Franciscus Xaverius heel bekend. (Ieper, Cassel, enz…)

De tapijten hadden dus een didactische en stichtende bedoeling. De werkelijke afkomst van deze kunstwerken is tot op heden nog niet vaststaand. Een spoor - namelijk het voorkomen van een wapen - leidt echter wel naar de families van Witthem en de Cusance, heren van Boezinge rond 1620.

De tapijten handelen alle vier over het leven van Franciscus Xaverius als missionaris in Indië.

Het eerste tapijt wordt "Prediking" genoemd. Men ziet er de heilige met een kruis in de hand en met de andere hand naar de hemel wijzend. Er staan vijf personen te luisteren. Op de achtergrond stroomt een bergbeek in een bredere rivier. Over het beekje welft zich een stenen bruggetje. De achtergrond wordt bepaald door bomen en struiken. Dit overheerst alles. Het tafereel van de prediking verdwijnt er bijna in het niets. Bovenaan in het midden staat een wapenschild dat verdeeld is in drie. Het bovenste deel is van keel met drie leeuwen van goud; het tweede van goud; het derde van azuur dragende een korengarve van goud. Erboven een getraliede helm gevoerd van keel, bekroond door een klimmende leeuw. Eronder staat de spreuk "Justus mori amet." De afmeting bedraagt 4,55m op 2,95m en heeft een zeer nauwe boording.

"De vernieling van een godsbeeld" is de naam van het weede tapijt. Drie inboorlingen vernietigen een godsbeeld terwijl de heilige Franciscus Xaverius erop toekijkt. De ene is gewapend met een bijl, de tweede met een knuppel, de derde heeft een touw om de hals van de afgod geworpen en trekt daarmee het beeld van een sokkel af. De achtergrond en de voorgrond zijn helemaal ingenomen door een weelderige plantengroei en waterpartijen.

Dit tapijt meet 3,20m bij 2,90m.

Op het derde tapijt staat het "Doopsel van de koning van Ceylon" afgebeeld. De koning zit geknield voor de heilige. Zijn kroon ligt naast hem op de grond. De sleep van zijn mantel wordt opgetild. Iemand draagt een beker en een ander staat achter de twee vorige toe te kijken. De heilige doopt de koning met behulp van een schelp. Het tapijt is 3,20m lang en 3m hoog.

Het vierde kunstwerk handelt over "De dood van de H. Franciscus". Tijdens zijn laatste uren wordt de heilige bijgestaan door vier wanhopige personnages. Ondertussen ligt hij onder een boom neer. Op de achtergrond herinneren boten aan zijn reis naar China. Hij wou ook dit land bekeren. Aan de kust stierf hij echter.

Het stuk is 4,64m lang en 3m hoog.

Toen de oorlog uitbrak, hingen alle vier de tapijten in de kerk. De kloosterzusters hebben ze meegenomen tijdens hun vlucht voor de gasaanvallen van april 1915. In het klooster van St.-Jans-Cappel werden ze ondergebracht. In de lente van 1918 moesten ze wegens het Duitse offensief een tweede keer vluchten. Na de inname van Belle moesten de zusters de kunstwerken achterlaten. De dienst Kunst en Onderwijs van de Belgische regering in Le Havre was hiervan echter op de hoogte. Na het einde van de slag, vastgelopen aan de heuvel, werd ene Luitenant-Kolonel Green naar Sint-Jans-Cappel gestuurd om de tapijten te zoeken. Ze lagen op de vloer van het klooster, vertrapt in de modder. Nadat de zusters hiervan op de hoogte waren gebracht, lieten zij de zorg ervoor over aan de Belgische overheid. De vier tapijten werden naar het depot van Gaillon gebracht. Hoewel de Boezingenaars verder niet meer op de hoogte werden gehouden, waakten hoge personaliteiten - nl. de Graaf van Athlone, zwager van de koning van Engeland, over de schat.

Begin 1920 vernam men dat de tapijten naar het Museum voor Schone Kunsten te Gent zouden overgebracht worden. Dit werd op 14 mei 1920 bevestigd door de overheid. Conservator Vanhove liet slechts op 9 april 1927 weten dat de tapijten mochten worden opgehaald.

Zo keerden de tapijten door toedoen van Jules Vanneste en Emiel Tytgat op 13 april 1927 terug naar Boezinge. Daar werden ze alleen tentoongesteld op grote feestdagen.

In 1930 werden de tapijten nog eens in Brugge tentoongesteld. Menige kunstverzamelaar bood aan ze te kopen. Dit was natuurlijk onmogelijk. Nochtans moesten de kunstwerken dringend gerestaureerd worden. Dit werd gedaan door het Huis Braquenié uit Mechelen. De tweede wereldoorlog belette echter een grondige opknapbeurt.

Zo duurde het tot tegen de jaren '60 vooraleer de tapijten gerestaureerd waren. Nu hangen zij 60 jaar na de verwoesting en 50 jaar na de heropbouw te prijken in de kerk.


Deze informatie is afkomstig van de Vrije Gesubsidieerde Basisschool Boezinge.